Home > Innovatie > De lange weg naar de robonurse
Innovatie

De lange weg naar de robonurse

Robottechnologie rukt op. Zeker in de zorg. Maar het moment dat robotzusters zelfstandig door het verzorgingstehuis of de bejaardenwoning  wandelen is echt nog niet aangebroken.

Nao stelt zich voor tijdens de bijeenkomst in het Amsterdamse science-museum Nemo. Het kniehoge, humanoïde robotje staat op, vertelt dat het naar het publiek kan zwaaien en zwaait naar ons. Dan vertelt het dat het ons aan kan kijken en lopen en jawel: het kijkt vooruit en doet een paar stappen naar voren. Vervolgens zegt het vriendelijk ogende mannetje dat het balanceeroefeningen kan doen en laat prompt een behoorlijk indrukwekkend ogende oefening zien. Als Nao terug gaat zitten, gaat het helaas mis en valt hij op z’n rug. ‘Waarschijnlijk is de vloer hier te glad”, zegt robotonderzoeker Khiet Truong van de Universiteit Twente. Handmatig brengt ze Nao tot zitstand en probeert’m weer aan de praat te krijgen. Maar Nao blijft stil zitten. Truong: “Hij is denk ik even van z’n stuk.”

Robots kunnen steeds meer, maar nog niet alles. Populair zijn ze wel. Er gaat momenteel geen week voorbij of ergens in het land vindt een event of lezing plaats over robotica. En de zorg wordt gezien als een van de belangrijkste toepassingsgebieden. Er wordt ook driftig geëxperimenteerd. Met operatie-, informatie, transport- en hygiënerobots in de cure. En met service- en sociale Robots en persoonlijke digitale assistenten in de care, luisterend naar namen als Nao, Paro, Jibo, Rose, Zora, Pepper, Phi, Alice en Alfred. En natuurlijk gaat daarbij – net als bij Powerpoint-presentaties – wel eens wat mis.

Momentum

“De simpelste definitie van een robot”, aldus dr. Ir. Rinie van Est van het Rathenau-instituut, “is dat het een machine is die kan waarnemen (via sensoren), denken (met computerkracht) en handelen (via zogenoemde actuatoren). Maar daarbinnen heb je gradaties van autonomie. Veel industriële robots bijvoorbeeld, die volledig zijn voorgeprogrammeerd, voldoen niet aan de definitie.” Desalniettemin ervaren we ze als robots. Een Da Vinci operatierobot wordt volledig bestuurd door een medisch specialist en opereert dus niet zelfstandig. Maar door de ingebouwde haptische feedback, waarmee hij tegendruk genereert op de acties van de specialist en die hem veel preciezer maakt, valt hij weer wel binnen de definitie van Van Est. En een humanoïde robot als Nao of Pepper, die zelfstandig kan reageren op spraak en emoties van mensen, natuurlijk ook.

“Er is momentum aan het ontstaan”, zegt Hans Ossebaard, innovatieadviseur verbonden aan het Zorginstituut Nederland. “Nog maar een jaar of tien geleden was praten over robots bij de meeste zorginstellingen in de care vloeken in de kerk. Dat is echt veranderd.” Wat Ossebaard betreft zijn er drie belangrijke oorzaken voor dat momentum: de immer stijgende kosten van de zorg, de oprukkende vergrijzing en vooral de met name in de care steeds nijpender krapte op de arbeidsmarkt. “Daarmee komt deze technologie steeds hoger op de bestuursagenda te staan. Van ‘het is duur en ik snap er niks van’ naar ‘we moeten het maar eens gaan onderzoeken.”

Deze technologie komt steeds hoger op de bestuursagenda te staan

Zorgconsumenten zijn verdeeld. Accounting- en consultingfirma PwC deed internationaal onderzoek naar de mate waarin mensen robots en kunstmatige intelligentie bereid zijn toe te laten in het zorgproces. In Nederland bleek 55% daartoe bereid en 39% niet, wat ons land tot een middenmoter maakt. Ossebaard denkt dat het met die acceptatie wel goed zal komen. “Zolang het echt een toegevoegde waarde geeft, zinnige zorg oplevert en niet ten koste gaat van echt menselijk contact, denk ik dat dat wel zal lukken.”

Oprichter Tom Ederveen van de websites robots.nu en Robotzorg.nl deed onderzoek naar wat thuiszorgcliënten wat van robots verwachten. Met stip op één staat bij hen zelfredzaamheid. Dat ze zelfstandig kunnen wonen bijvoorbeeld, of zelfstandig informatie kunnen verwerven. Op twee volgt sociaal contact, daarna comfort.”

Wake up-call

Ook bestuurder Greet Prins van zorgorganisatie Philadelphia voor mensen met een verstandelijke beperking gelooft dat het tijd is om de toepassing van robottechnologie in de care serieus te onderzoeken. Daarom start Philadelphia een proeftuin met robot Phi – een door Philadelphia-medewerkers op maat geprogrammeerde versie van de sociale robot Pepper. Deze kan simpele gesprekken voeren en reageren op emoties. Prins: “We denken aan toepassingen als interactie met cliënten met autisme, die bijvoorbeeld vaak dezelfde vragen stellen en op wie de monotonie van een robotstem rustgevend werkt. Aan het activeren van cliënten om bijvoorbeeld gymnastiekoefeningen te doen, aan toezichtsfuncties via het beeldscherm of aan monitoring bij het tanden poetsen, wat voor sommige cliënten moeilijk is. We kunnen enorm veel bedenken, maar we staan aan het begin en ik kan nog niet zeggen welke toepassingen de meeste meerwaarde zullen bieden.”

Als je over een jaar of vijf bij een Philadelphia-vestiging binnenloopt, is mijn verwachting dat je daar robotica in enige vorm zult aantreffen

Prins, die als raadslid bij de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) de projectgroep ‘Mens en machine’ voorzit, ziet als belangrijkste doelstelling het wegnemen van de psychologische barrière rond robotzorg bij cliënten, familie en medewerkers. Wat haar betreft is het een maatschappelijke opdracht voor de RVS en voor grote spelers als Philadelphia om hierin het voortouw te nemen. “Zie het als een wake up-call richting de branche. In mijn ogen moeten we met deze technologie aan de slag. Experimenteren en uitproberen, zodat we gaan begrijpen hoe we het op een zinvolle manier kunnen gebruiken. En we moeten praten over vragen als: wie is straks verantwoordelijk voor wat robots doen? Hoe maken we het veilig? Van wie zijn de data die eruit voortkomen? Hoe gaan we om met de privacy? Hoe bereiden we onze mensen erop voor? Ik moet zeggen dat ik het thema bij de afgelopen verkiezingen in de partijprogramma’s node heb gemist.”

Dát robottechnologie een serieuze rol zal gaan spelen, is wat Prins betreft geen vraag meer. “Ik denk dat zorgbestuurders het zich niet kunnen veroorloven de ogen voor deze ontwikkeling te sluiten. Als je over een jaar of vijf bij een Philadelphia-vestiging binnenloopt, is mijn verwachting dat je daar robotica in enige vorm zult aantreffen.”

Vierde industriële revolutie

De Amerikaanse economen Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee publiceerden in 2014 het boek The second machine age, waarin ze het tijdperk aankondigden waarin machines niet alleen meer onze fysieke arbeid kunnen vervangen, maar ook onze denkkracht. Enkele Oxford-onderzoekers deden aansluitend prompt een schatting dat 47% van de huidige banen gevaar loopt om binnen twintig jaar vervangen te worden. Apocalyptische visoenen, die voortkomen uit de vooruitgang die de laatste jaren is geboekt in met name vier disciplines: de nanotechnologie, de biotech, de informatietechnologie en de cognitiewetenschap. Samen vormen ze wat de NBIC-convergentie is gaan heten: een samengaan van de life sciences – onderzoek naar levende organismen – en de engineering sciences, die zich bezighouden met het onderzoek naar en de bouw van niet-levende systemen. Het resulteert in zaken als kunstmatige intelligentie, big data, machine learning en zelfs tissue engineering, die weer hebben geleid tot revoluties als de zelfrijdende auto, het exo-skelet, virtual reality en het 3D-geprinte orgaan. En jawel, zelflerende robots die kunnen reageren op spraak en emoties.

Deze fusie tussen technologie en biologie – bij het World Economic Forum dit jaar sprak men van de vierde industriële revolutie – brengt revolutionaire producten en toepassingen voort. Ook de alsmaar slimmere smartphones en wearables die onze activiteiten bijhouden en waarmee we nooit meer offline zijn – en en passant onszelf onderdeel van de fusie hebben gemaakt – zijn er exponenten van.

Het is vanuit die brede context dat Rinie van Est van het Rathenau-instituut naar robotisering kijkt. “En als je zo kijkt, zie je dat er een alsmaar accelererend momentum is. Dat heeft nu al een enorme invloed op de arbeidspraktijk in de zorg en die zal nog enorm gaan toenemen. De ethische kwesties die daaruit voortkomen, overzien we nog nauwelijks.” Want hoe zorgen we ervoor dat er om economische redenen geen dehumanisering van de zorg plaatsvindt bijvoorbeeld; slagen we erin de vrije keuze van de cliënt/patiënt te waarborgen als die geen robotzorg wenst te ontvangen en hoe garanderen we de professional diens autonomie in een omgeving waarin steeds meer sprake is van zelflerende systemen, kunstmatige intelligentie en voorgekookte handelingen?

Het is hoog tijd dat we onze naïviteit over de waarde van data overboord gooien

Allemaal zaken waarover Rinie van Est – en met hem Greet Prins – het publieke debat voorlopig mist. “Uiteindelijk”, zegt Van Est, “zijn we overal zelf bij. Maar we moeten met de technologie experimenteren en heel veel praten over de vraag hoe we het op een goede manier kunnen doen, zodat de kwaliteit beter wordt voor ons mensen.”

Wat Van Est betreft is een heel ander issue, voortkomend uit de NBIC-convergentie, momenteel veel urgenter. “Met behulp van kunstmatige intelligentie kunnen we de diagnose van bepaalde soorten kanker waarschijnlijk flink verbeteren. Maar we moeten oppassen onze medische data en de kennis van medisch specialisten zo maar gratis beschikbaar te stellen aan een bedrijf als IBM. Tien jaar geleden heeft Google helemaal gratis heel Nederland in kaart mogen brengen. We hebben ooit de gaswinning in Groningen in concessie gegeven aan Shell en Exxon, die daar goed geld aan hebben verdiend. Maar de Nederlandse staat kreeg ook een flink deel van de winst, dat was part of the deal. Het is hoog tijd dat we onze naïviteit over de waarde van data overboord gooien.”

Schaalsprong

Wat betreft de adoptie van robots in de nauwere zin des woords, gelooft ook Van Est dat het wel goed komt. Ook al omdat het in de zorgpraktijk helemaal nog niet zo snel gaat. In de cure zullen de komende jaren nieuwe operatierobots geïntroduceerd gaan worden. Maar in de care blijft het zoeken naar toepassingen. Robots kunnen spraak verstaan en emoties zien. Maar voordat je een redelijk gesprek met ze kunt voeren, zijn we zo weer 20 jaar verder. En een servicerobot die als butler of verpleger zelfstandig in het huishouden kan functioneren, is op technologieniveau ook nog een jarenlange uitdaging. Van Est: “De gedachte aan dat soort mogelijkheden loopt vaak flink vooruit op de technologie zelf.” En daar komt bij: de caresector is traditioneel erg traag in het omarmen van nieuwe technologie.

Apocalyptisch verhaal

Dat laatste is een frustratie van Tom Ederveen van robotzorg.nl. Die heeft zijn hoop gevestigd op de digitale assistent voor het huishouden – een tafeldevice dat spraakgestuurd de agenda en de medicijninname bijhoudt, toezicht kan houden, muziek kan afspelen, telefoneren en online zoeken naar informatie. “Die zie ik tussen 2018 en 2020 toch wel doorbreken.” Zo’n beetje alle grote IT- en elektronicabedrijven, die allemaal ondertussen zo’n apparaat op de markt hebben, hopen met hem mee.

Maar willen robots echt een schaalsprong maken in de zorg, dan is er nog wel wat meer nodig, denkt ook Ederveen. “Slimme huizen bijvoorbeeld, uitgerust met sensoren en een goed wifi-netwerk, zullen het proces flink kunnen versnellen. En een betere financieringsstructuur.” Hij is kritisch op de financiering van technologie in de zorg in ons land, die veel te weinig gestructureerd is en aan te veel restricties gebonden. En de privacydiscussie, daar heeft-ie het maar niet over.

Toch heeft de huidige golf van aandacht Ederveen geen windeieren gelegd. Hij mag door het hele land presentaties en lezingen verzorgen samen met een robot en heeft een team van mensen om zich heen kunnen verzamelen die al net zo enthousiast zijn over de mogelijkheden van robots als hij. Hij weet nog precies wanneer die golf begon. “Dat was in 2014, toen minister van sociale zaken Lodewijk Asscher een opiniestuk in de krant schreef waarin hij waarschuwde dat veel mensen hun baan zouden verliezen door de komst van de robots. Dat artikel was onze take-off.” Hij ziet er de ironie wel van in. “Asscher heeft ons in het zadel geholpen met dat apocalyptische verhaal. Een beter bewijs voor het feit dat robots heus hun weg zullen vinden in de zorg, is er niet.”

kader: Zorgrobots van Nederlandse makelij

In de ontwikkeling van zorgrobotica speelt Nederland een bescheiden, maar serieuze rol. Enkele veelbelovende initiatieven:

*In Delft werkt het bedrijf Heemskerk Technologies aan de 2.0-versie van robot Rose. Een op afstand bestuurde, rijdende servicerobot-met-monitor die huishoudelijke taken kan uitvoeren zoals een pak melk uit de koelkast pakken en een glas volschenken, een bord met eten op tafel zetten of zelfs het openen van een ritssluiting. Rose moet per 2018 op de markt komen.

*De technische Universiteit Eindhoven maakte onlangs bekend drie nieuwe operatierobots te hebben ontwikkeld. De Preceves, de Microsure en de Robosculpt, toepasbaar in respectievelijk de oog-, de vaat- en de botchirurgie. Van de drie lijkt de Microsure het verst ontwikkeld. De universiteit heeft hem ondergebracht in een spin-off bedrijf en vandaaruit moet deze extreem precieze robot, die in de vaatchirurgie ultrasecure reconstructieve operaties moet gaan doen, in 2018 op de markt komen.

*Eind vorig jaar presenteerde Philips het systeem Illumeo dat radiologen helpt informatie te verwerken uit medische scans, röntgenfoto’s, patiëntendossiers en zelfs genetische informatie over patiënten. De technologie is geen robotica in de nauwe zin des woords, maar een toepassing van kunstmatige intelligentie. Het systeem helpt de arts met het interpreteren van complexe informatie, op basis van eerdere diagnoses en wordt daarin vanzelf steeds beter, omdat het leert van z’n eigen fouten.

Dit verhaal verscheen eerder in het magazine Skipr

Leave a Reply