Home > Gezondheid > Een marathon als ontbijt
Gezondheid

Een marathon als ontbijt


Wie heeft het niet als goed voornemen voor het nieuwe jaar: meer sporten? Deze vier mensen begonnen er ooit mee en wisten van geen ophouden. Ze lopen hard tot ze letterlijk onderweg in slaap vallen of rennen vrijwillig tweehonderd kilometer door de jungle. Ruben (35): “Misschien sla ik een beetje door.”

Hardlooptochten door de natuur maken gespecialiseerd verpleegkundige Martine (53) intens gelukkig. Ze traint tien tot dertig uur per week.

‘Toen ik 50 werd, trakteerde ik mezelf op een hardlooptocht van 169 kilometer in 46 uur rond de Japanse berg Fuji, een gebied met hoogtes tot 2400 meter. De natuur is er prachtig, maar het is ook afzien: er vallen tijdens dit soort duurtochten weleens mensen lopend in slaap.
Vakanties combineer ik het liefst met een run ter plekke. Voor mijn vriendin niet altijd leuk. Toen we laatst naar Australië gingen, heb ik beloofd geen wedstrijd te plannen. Ik moet dan mentaal even schakelen: de focus ligt op óns, niet op het rennen. Dat ik op reis wel blijf trainen, is inmiddels vanzelfsprekend. Zij rijdt van het ene dorp naar het andere, ik rén. Tijdens wedstrijden helpt ze me als ik onderweg van pijn en slaapgebrek niks meer kan eten. En aan de finish huilt ze net zo hard als ik, van opluchting, trots en vermoeidheid.

Natuurlijk vraag ik me weleens af waarom ik dit nodig heb, waarom ik een ultra trail doe waarbij ik bijna 50 uur aan een stuk moet hardlopen. Tja, waarom kijkt iemand urenlang Netflix-series? Als ik boven op die Japanse berg sta en mijn hart in mijn lichaam hoor kloppen, voel ik golven van diep geluk door me heen gaan. Momenten die ik in het dagelijks leven zelden ervaar. Misschien zijn die gevoelens ook wel zo extreem omdat ze gepaard gaan met enorm afzien. Ik weet zeker dat een leven zonder zulke pieken en dalen, mij zou veranderen in een onrustig, tobberig mens. Dat probeer ik maar liever niet uit.

Binnenkort doe ik mee aan een hardlooptocht van 150 uur in de bergen. Ik ben voorbereid op het soms uren durende spel waarbij mijn lichaam roept: “Kappen!” en mijn geest zegt: “Jíj wilde dit, doorzetten!” Die mentale kracht gebruik ik in het dagelijks leven, bijvoorbeeld tijdens uitzendingen voor mijn werk voor Defensie. In Afghanistan zie ik stervende kinderen, soldaten die hun benen zijn verloren. Zwaar werk, maar ik weet inmiddels dat ik lichamelijk en geestelijk veel meer aankan dan ik denk.’

—–

Ultramarathons door de woestijn en de jungle: Lieven (32) traint er vijftien tot twintig uur per week voor.

‘Mijn vrouw en kind staan op de eerste plaats, maar ik besteed meer tijd aan mijn trainingen. Vorig jaar vloog ik drie dagen na ons huwelijk naar Brazilië om aan de Jungle Marathon mee te doen. Zij zat thuis met onze pasgeboren zoon. Niet ideaal natuurlijk, maar ze heeft me ook gekozen om mijn ambitieuze karakter.

Mijn vrouw vindt het niet normaal wat ik doe, maar ik vind dat het prima gaat zo. Ik kan alles om het hardlopen heen plannen. Ik train ‘s avonds een paar uur of ik ren ‘s ochtends twintig kilometer van huis naar mijn werk.

Ultramarathons, zoals de 233 kilometer lange Marathon des Sables of de Jungle Marathon van 260 kilometer, leren me veel over mezelf. Voordat ik ermee begon, wist ik niet dat zo’n wedstrijd zo veel mentale kracht kost. In de Braziliaanse jungle zat ik er aardig doorheen toen mijn voetzolen na 150 kilometer rennen bezaaid waren met vochtblaren. Elke stap deed extreem veel pijn. Maar ik bleek in staat de pijn op een afstand te houden en belandde in een meditatieve staat. De mantra “Afzien duurt maar even, opgeven is voor altijd” hielp me naar de finish.

Ik ben trots mijn mentale kracht en op het feit dat ik steeds betere sportieve prestaties neer zet. Mijn vrouw maakt zich er soms zorgen over. Ze denkt dat ik een burn-out krijg als ik zo doorga. Haar bezorgdheid is misschien niet onterecht. Ik vraag inderdaad veel van mijn lichaam. Want ook als we samen een romantisch weekendje weggaan, moeten de sportschoenen mee.

Soms voelt het als een verslaving, die behoefte aan meer, langer, heftiger. Momenteel droom ik van de Yukon Quest in Canada: een 700 kilometerlange sleehondenrace van dertien dagen.
Het doel van alle ultra’s die ik doe: mezelf beter leren kennen. Ontdekken hoe ver ik geestelijk en lichamelijk kan gaan. Ontdekken hoe veel mentale kracht ik bezit en wat ik doe als ik mijn grens tegenkom. Misschien ben ik wel iemand die doorgaat tot z’n benen eraf vallen. Dat is een beangstigende gedachte; dat ik mezelf geweld aan zou doen om de finish maar te bereiken. En toch blijf ik voorlopig zoeken naar die grens.’

—–

Jarenlang draaide het leven van Ruben (35) om de beroemde triatlon Iron Man. Hij trainde twintig uur per week, naast zijn fulltime baan.

‘Fietsen en hardlopen deed ik al jaren. Ik zocht naar een nieuwe uitdaging en kwam bij zwemmen uit. Voor ik het wist had ik me opgegeven voor de meest extreme combinatie van die drie sporten: de Iron Man. Heel 2015 draaide erom. Want als ik ergens voor ga, moet alles wijken. Ik ben nou eenmaal een prestatiemannetje, ook in mijn werk trouwens. Steeds leg ik de lat hoger.

Ik sloeg misschien wel een beetje door. Ik dronk geen druppel alcohol meer, terwijl één biertje drinken best kan. Vet en suiker meed ik. De ene dag rende ik tweeënhalf uur rondjes rond een voetbalveld, de andere zat ik acht uur op de racefiets. Trainen bleek een medicijn tegen twijfel en chagrijn. En ik had geen keuzestress meer over hoe ik een avond of weekend zou indelen, want alles ligt vast. Zo’n strikt trainingsschema maakt me rustig – wel fijn voor iemand met ADHD-kantjes.

Trainen voor een Iron Man – 3,8 kilometer zwemmen, 180 kilometer fietsen en 42,2 kilometer rennen – kost veel tijd. Je moet creatief zijn. Als mijn vrouw op zondagochtend naar haar familie gaat, volg ik op de fiets. Zo heb ik er voor de koffie al 130 kilometer op zitten. Tijdens een vrijgezellenweekend van een vriend zwom ik naast de feestboot. Op zondagochtend had ik al twintig kilometer gerend toen mijn vrienden wakker werden.

“Je neemt het te serieus,” zeggen sommigen. Maar dankzij die trainingen kan ik nu wel met trots terugkijken op een WK, vier halve én een hele Iron Man in 2015. Het smaakt naar meer. Maar door de komst van onze dochter doe ik voorlopig een stap terug. Harder trainen, tot 30 uur per week, is nu niet haalbaar. Om in conditie te blijven heb ik dit jaar tien wedstrijden gepland, waaronder een marathon. Ik heb een kinderwagen waarmee ik kan rennen en fietsen.

Sporten moet altijd doorgaan. Ik heb weleens een spierscheur gehad waardoor ik niet kon hardlopen. Ik werd enorm chagrijnig en onrustig. Terwijl het niet eens mijn fiets- en zwemtraining in de weg stond.

Toen ik ooit over de Iron Men hoorde, dacht ik: dat is een onmenselijke prestatie. Nu ben ik zelf een ‘ijzeren man’. Dat ik steeds een stap verder kom, is alle opoffering waard.’

—–

Eric ging in april 2016 voor de vijfde keer op expeditie naar de 8.850 hoge top van de Mount Everest. Hij bereikte voor het eerst de top, maar overleed kort na de afdaling. Hij werd 35 jaar.

Voorafgaand aan de expeditie trainde hij tien tot vijftien uur per week, naast zijn full time baan.

‘De expedities helpen me te relativeren. Ik zie in de bergen de overblijfselen liggen van klimmers die onderweg zijn doodgevroren. Als ik vervolgens bij thuiskomst in de file sta, kan ik me daar echt niet over opwinden.
Om me goed voor te bereiden op de hoogte, slaap ik voor vertrek zes weken in een zuurstoftent. Daar is het zuurstofniveau zoals op vijfduizend meter hoogte. Dat voelt alsof je door een rietje ademt. Voor mijn vriendin zet ik ‘m soms lager, op tweeënhalfduizend. Jaren terug zou ik die concessie niet gedaan hebben. Ik kon grenzeloos egoïstisch zijn. Mee naar de Bijenkorf? Echt niet. Stel je voor dat ik door een virus een trainingsachterstand zou oplopen. Mede daardoor is mijn vorige relatie uitgegaan. Gelukkig is mijn huidige vriendin fanatiek triatleet. Ze snapt het als ik elke avond ga hardlopen of ‘s ochtends om zes uur opsta om drie kwartier in het meer te zwemmen.

Mijn verlangen om ooit de top te bereiken is enorm. Dat komt doordat het nu al jaren op rij nét niet gelukt is. Het is een onaf hoofdstuk. Die bijna obsessieve behoefte om tot het uiterste te gaan had ik als kind al. Ik kon niet gezellig één tulpenbolletje planten; ik wilde dan meteen de héle tuin doen.

Tijdens mijn eerste klim in 2012 moest ik vlak voor de piek omdraaien. De gevoelstemperatuur was -70 graden en ik hallucineerde door zuurstof- en vochttekort. Eén ooglid zat vastgevroren. Thuis voelde ik me down, alsof ik in de rouw was. Me voorbereiden op een nieuwe expeditie bleek het beste medicijn. Maar ik kreeg een ongeluk en kon maandenlang niet op mijn niveau trainen. Ik had last van hartkloppingen en zweetaanvallen. Op mijn werk was ik afwezig; ik was alleen maar bezig met de vraag of en hoe ik ooit de top zou bereiken.

Niet meer trainen en klimmen is geen optie voor mij. Ik heb het al moeilijk wanneer een expeditie is afgelopen. Alsof de winter is begonnen. Alles om me heen is dan kleurloos. Pas tijdens de voorbereidingen voor de volgende klim, begint de zon te schijnen.

Tegelijkertijd zie ik ook dat klimcollega’s die vader zijn geworden en minder fanatiek trainen, toch gelukkig zijn. Dat stelt me enigszins gerust.’

 

// Achtergrond \\

Hardlopen tot je in slaap valt, tweehonderd kilometer door de woestijn rennen – waarom doen mensen dat?

Psychiater en auteur Bram Bakker, zelf fervent hardloper: ‘Vaak zijn extreme sporters van nature extreme mensen. De kans is groot dat als ze niet zo veel zouden sporten, ze op een andere manier naar een kick gaan zoeken. Door veel te gaan drinken of feesten bijvoorbeeld. In die zin is sporten een prima alternatief.’

Wel ligt er in sommige gevallen een serieus probleem onder de ogenschijnlijk onschuldige hobby. Zoals bij iemand die dagelijks hardloopt, maar dat doet omdat hij of zij bijvoorbeeld een eetstoornis heeft.

Kun je ook te veel sporten?

Maria Hopman, fysioloog bij het Radboud MC in Nijmegen, doet onderzoek naar de invloed van beweging op de lichamelijke gezondheid. ‘We weten dat bewegen altijd beter is dan niets doen. Maar we weten niet of je ook te véél kunt bewegen.’ Wel is onlangs ontdekt dat fervente marathonlopers een zelfde soort littekens op de hartspier hebben als hartpatiënten die herstellen van een infarct. ‘Dat lijkt geen positief nieuws, maar een marathonloper heeft over het algemeen een heel andere fysieke conditie dan een hartpatiënt. We zijn bezig met vervolgonderzoek naar wat die littekens precies betekenen.’

‘Ik zou niet zonder kunnen’, hoor je fanatieke sporters nogal eens zeggen. Betekent dit dat sporten verslavend is? Bakker vindt van niet. ‘Je maakt tijdens het sporten ‘gelukshormonen’ aan, zoals endorfines en endocannabinoïdes. Maar de hoeveelheden die je aanmaakt, zijn te minimaal om er verslaafd aan te raken. Daarbij is niet alles wat lekker of leuk is, meteen verslavend. Denk aan chocola eten of winkelen.’ Toch ervaren sommige fanatieke sporters lichamelijke klachten als ze een tijdje rust moeten nemen. ‘Dat is geen afkickreactie, maar een stressreactie,’ zegt Bakker. ‘Je lichaam is zo gewend aan bepaalde handelingen dat het adrenaline en cortisol gaat aanmaken wanneer die opeens achterwege blijven. Dat geeft stress, met soms bijverschijnselen als zweten en hartkloppingen. Die líjken op afkickverschijnselen.’
Fysioloog Hopman herkent die klachten bij topsporters. ‘Je hartspier is zo gewend aan de dagelijkse doorbloeding en training dat er hartritmestoornissen kunnen ontstaan als je er cold turkey mee stopt. Niet dat veel sporters dat doen hoor. Wie tijdelijk niet kan hardlopen, verzint meteen een alternatief zoals fietsen.’

Als extreem sporten geen verslaving is, wat is het dan wel?

‘Wanneer iets is gelukt – je wint bijvoorbeeld een wedstrijd- maak je onder andere dopamine aan. Dat zorgt voor dat euforische gevoel. Dit beloningssysteem slaat bij sommige mensen sneller aan dan gemiddeld. Met relatief weinig inspanning kun je je dus regelmatig on top of the world voelen’, vertelt Bakker.

Soms zijn er juist heel veel kicks nodig om het beloningssysteem aan te laten slaan. ‘In het dagelijks leven, bijvoorbeeld na het halen van een deadline, ervaart iemand dan niet snel die blije rush. Als dat met sporten wel lukt, is dat natuurlijk heel aangenaam.’

Heel fanatiek sporten hoeft geen problemen op te leveren.

Maar, zegt Hopman: ‘Het kan wel leiden tot een sportburn-out. Dat merk je aan signalen als slapeloosheid of snel geprikkeld zijn. Blessuregevoelig zijn deze sporters meestal niet, dus hun lichaam zal niet snel op de rem trappen.’

Wanneer het té wordt?

Bakker: ‘Wanneer het je functioneren op alle terreinen ondermijnt. Dus op het gebied van geld, relatie, sociale contacten en werk.’

Als ‘partner van’ kun je het best blijven zoeken naar creatieve manieren om de hobby van je geliefde te integreren in het dagelijks leven. Heb je het gevoel dat jij steevast op de tweede plek komt? Misschien is deze relatie dan toch geen match made in heaven. Of, zoals een van de geïnterviewden zegt: ‘Vroeger was rennen belangrijker dan mijn partner. Nu denk ik: die relatie was gewoon niet zo goed.’

Bakker: ‘Persoonlijk vind ik dat je vraagtekens mag gaan zetten wanneer je partner stelselmatig het trainingsschema verkiest boven seks.’